-
1 verlies
1 loss♦voorbeelden:1 een verlies aanzuiveren • make good/up a losseen verlies bestrijden uit reserves • defray a loss from reserveseen verlies delgen • discharge/amortize a losshet verlies voor zijn rekening nemen, het verlies dragen • bear/stand the lossmet verlies verkopen • sell at a lossmet verlies draaien • make a loss/lossesniet tegen (zijn) verlies kunnen • be a bad loser -
2 verlies lijden
verlies lijden -
3 schip
1 [boot] ship ⇒ 〈 voornamelijk voor op zee〉 vessel, 〈 voor binnenvaart〉 barge, 〈 voornamelijk door niet-zeelui gebruikt〉 boat2 [bouwkunst] nave♦voorbeelden:een schip van 30.000 ton • a ship of 30,000 tons〈 figuurlijk〉 het zinkende schip verlaten • leave the sinking ship, cut one's losseseen schip vlot trekken • float a ship〈 figuurlijk〉 in het schip zitten • be in trouble/a mess〈 figuurlijk〉 voor een paar ton het schip in gaan • make a loss of several hundred thousand guildersop een schip varen • be a sailor, serve on a shipper schip • by ship/boat -
4 met verlies draaien
met verlies draaienmake a loss/lossesVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > met verlies draaien
-
5 voor een paar ton het schip in gaan
voor een paar ton het schip in gaanVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > voor een paar ton het schip in gaan
-
6 goedmaken
1 [met betrekking tot bedreven kwaad/verkeerde handelingen] make up/amends for♦voorbeelden: -
7 een verlies delgen
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een verlies delgen
-
8 compensatie
n. compensation, recompense, repayment; something done to make up for (a loss, deficiency or fault) -
9 delgen
-
10 een verlies aanzuiveren
een verlies aanzuiverenmake good/up a lossVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een verlies aanzuiveren
-
11 een verlies goedmaken
een verlies goedmakenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een verlies goedmaken
-
12 mond
♦voorbeelden:1 〈 figuurlijk〉 een grote mond opzetten tegen iemand, iemand een grote mond geven • talk back at/to someone, give someone liphij kan zijn grote mond niet houden • he can't keep his big mouth shutdat is een hele mond vol • that's quite a mouthful〈 figuurlijk〉 iedereen heeft er de mond van vol • everybody is full of it, it is on everybody's lips〈 figuurlijk〉 zij hebben de mond vol over ontwapening, maar … • they have a lot to say about/make a great song and dance about disarmament, but …doe je mond dan open • say something (for goodness' sake)〈 figuurlijk〉 zijn mond voorbijpraten • let one's tongue run away with one, blab, spill the beansbij monde van • through/from〈 figuurlijk〉 bepaalde woorden in de mond nemen • use/utter certain words〈 figuurlijk〉 met de mond vol tanden staan • be at a loss for words/tongue-tiedde vinger op de mond leggen • put one's finger to one's lipsiets uit zijn eigen mond sparen • 〈 letterlijk〉 save some of one's food for someone else; 〈 bezuinigen〉 go without food to buy something for someone else(als) uit één mond • with one voice, unanimouslyuit zijn mond klinkt het ongeloofwaardig • it sounds unbelievable coming from himhet gerucht ging van mond tot mond • the rumour went roundhij antwoordde wat hem voor de mond kwam • he said the first thing that came into his headgeen mond opendoen • keep one's mouth shut, never open one's mouthhij heeft een mond als een hooischuur • he's got a mouth big enough for two people -
13 uitval
2 [het uitvallen van haar] (hair) loss♦voorbeelden:4 een uitval doen naar • make a lunge/thrust at -
14 zitten
1 [gezeten zijn] sit2 [zich met een doel ergens bevinden] sit3 [een functie bekleden] be4 [geruime tijd ergens vertoeven; verblijven] be5 [wonen] live6 [zich bevinden in de genoemde toestand] be7 [met betrekking tot een volharden in, gelaten worden op een plaats, in een toestand] 〈 zie voorbeelden〉8 [met betrekking tot zaken, zich bevinden, bevestigd zijn] be9 [met betrekking tot kleding] fit10 [gevuld, bedekt zijn met] be12 [met onbepaalde wijs] [bezig zijn met] be (… -ing), sit (… -ing)♦voorbeelden:1 blijf zitten • stay sitting (down), remain seatedgaan zitten • sit down, take a seat〈 figuurlijk〉 er eens voor gaan zitten • 〈 ter hand nemen〉 get (right) down to something/business; 〈 omstandig gaan vertellen〉 launch into one's storyzit je goed/lekker? • are you comfortable?aan de koffie zitten • be having coffeebij welke groep zit jij? • which group are you in?Jones zit in een vergadering • Jones is at a meeting3 in het bestuur zitten • be/serve on the boardop een kantoor zitten • be/work in an officewaar zit hij toch? • where can he be?nog in de kleine kinderen zitten • still have young children (on one's hands)hij zit in de amusementswereld/olie-industrie • he is in entertainment/oilwij zitten nog midden in de examens • we are still in the middle of the examsmet een gebroken been zitten • have a broken legop zware lasten zitten • have heavy expenseszonder werk/benzine zitten • be out of work/petrol(bijna) zonder geld zitten • have run short of moneyhij zit erover in dat hij zijn auto moet verkopen • he's upset about having to sell his car7 〈 figuurlijk〉 die weduwe bleef met twee kinderen zitten • that widow was left with two children (on her hands)op school blijven zitten • stay down a classer is iets tussen mijn tanden blijven zitten • something has (got) stuck between my teeth〈 figuurlijk〉 hij liet het er niet bij zitten • 〈 niet over zijn kant laten gaan〉 he didn't take it lying down; 〈 erover blijven zeuren〉 he wouldn't leave it alonedaar zitten we dan! • now we're in a messmet een probleem zitten • have a problemhoe zit het (dan) met …? • what about … (then)?het blijft niet zitten • it won't stay putlaat maar zitten • keep the changedat zit • that will holdhoe zit dat in elkaar? • how does it (all) fit together?; 〈 figuurlijk ook〉 how does that work?〈 figuurlijk〉 hem hebben zitten • 〈 uit zijn humeur zijn〉 be in a bad mood; 〈 dronken zijn〉 have had (a drop) too much〈 figuurlijk〉 daar zit het 'm in • that makes all the difference; 〈 daar gaat het juist om〉 that's the whole point〈 figuurlijk〉 er zit iets achter • 〈 ook〉 there's more to it (than meets the eye); 〈 verborgen moeilijkheid〉 there must be a catch to it〈 figuurlijk〉 er zat niets anders op dan toe te geven • there was nothing (else) for it but to give in〈 figuurlijk〉 wat zit er anders op? • what else is there to do?het zit los/scheef • it is loose/crooked〈 figuurlijk〉 alles zit hem mee/tegen • everything is going his way/against himzit het goed vast? • is it well secured?〈 figuurlijk〉 waar zit het hem in? • 〈 wat is de moeilijkheid〉 what's the problem?; 〈 oorzaak〉 what caused/what's causing it?in sla zit vitamine C • lettuce contains vitamin Cer zit onweer in de lucht • a thunderstorm is brewingheb jij geld in zijn zaak zitten? • have you got money in his business?er zit een vlek op je jurk • there is a stain on your dress〈 figuurlijk〉 〈 met een gebaar naar de keel〉 het zit me tot hier • I'm fed up (to the back teeth) with it〈 figuurlijk〉 hoe zit dat? gaan we of blijven we thuis? • what about it now? are we going or are we staying at home?die roman/film zit uitstekend in elkaar • that novel/film is beautifully constructed〈 figuurlijk〉 weet jij, hoe de zaak precies in elkaar zit? • do you know all the ins and outs of the matter?ergens vol mee zitten • be full of somethingonder de modder/luizen/schulden zitten • be covered with mud/lice, be (up to one's ears) in debt12 we zitten te eten • we are having dinner/lunchze zit daar maar te piekeren • she just sits there broodinghij zit te springen om naar huis te gaan • he can't wait to go homein zijn eentje zitten zingen/drinken • sit singing to oneself, be a lone drinkerzitten te zitten • hang/sit aroundhet zit er aan te komen • it's on its wayop tekenles zitten • be taking drawing lessonsop water en brood zitten • be (kept) on bread and waterwegens diefstal zitten • do time for thefthij zit overal aan • he cannot leave anything aloneachter de meisjes aan zitten • chase ((around) after) girlsdaar zit een vrouw achter • there is a woman involvedde zomer zit er weer op • the summer's over againmijn taak zit er weer op • that's my job out of the wayhet zit erop • that's that (done)wie heeft er aan mijn recorder gezeten? • who has been at/ 〈 ernstiger〉tampering with my cassette-player?〈 figuurlijk〉 achter iemand/iets aan zitten • pursue someone/something; 〈 proberen relatie aan te knopen〉 be after someone; 〈 volgen〉 follow someoneer zit een actrice in haar • she has the makings of an actress (in her)ze zit goed in de kleren • she is well off for clothesdeze auto zit al gauw op 120 km • this car does 120 km fairly easily
См. также в других словарях:
make a loss — make a profit/loss ► to earn or lose more money than you spend: »The business made a pre tax profit of £14.9m last year. Main Entry: ↑make … Financial and business terms
make a loss — to sell smth for less than its production cost (opposite in meaning to to make a profit) (loss making) … Idioms and examples
make — make, v. t. [imp. & p. p. {made} (m[=a]d); p. pr. & vb. n. {making}.] [OE. maken, makien, AS. macian; akin to OS. mak?n, OFries. makia, D. maken, G. machen, OHG. mahh?n to join, fit, prepare, make, Dan. mage. Cf. {Match} an equal.] 1. To cause to … The Collaborative International Dictionary of English
loss — [ lɔs ] noun *** ▸ 1 no longer having something ▸ 2 having less than before ▸ 3 failure to win race etc. ▸ 4 money lost ▸ 5 death of someone ▸ 6 sadness from death/loss ▸ 7 disadvantage from loss ▸ + PHRASES 1. ) count or uncount the state of not … Usage of the words and phrases in modern English
Loss — (l[o^]s; 115), n. [AS. los loss, losing, fr. le[ o]san to lose. [root]127. See {Lose}, v. t.] 1. The act of losing; failure; destruction; privation; as, the loss of property; loss of money by gaming; loss of health or reputation. [1913 Webster]… … The Collaborative International Dictionary of English
loss — noun 1 losing of sth ADJECTIVE ▪ appreciable, considerable, significant, substantial ▪ dramatic, great, huge, major, serious … Collocations dictionary
loss */*/*/ — UK [lɒs] / US [lɔs] noun Word forms loss : singular loss plural losses 1) [countable/uncountable] the state of no longer having something because it has been taken from you or destroyed It was an ancient car anyway, so it was no great loss. job… … English dictionary
loss — noun 1 NO LONGER HAVING STH (C, U) the fact of no longer having something you used to have: Job losses were common in the 1980s. (+ of): a temporary loss of memory | weight/blood etc loss | rapid hair loss 2 MONEY (C, U) money that has been lost… … Longman dictionary of contemporary English
make — /meɪk/ verb 1. to do an action ♦ to make a bid for something to offer to buy something ♦ to make a payment to pay ♦ to make a deposit to pay money as a deposit 2. to earn money ● He makes £50,000 a year or £25 an hour. 3. to increase in value ●… … Dictionary of banking and finance
make a profit — to sell smth for more than it costs to produce (opposite in meaning to to make a loss) (profit making) … Idioms and examples
loss-making — ˈloss ˌmaking adjective FINANCE a loss making product or business activity is one that does not make a profit: • Loss making, state owned businesses will be sold off. loss maker noun [countable] : • The plant has long been a loss maker for Volvo … Financial and business terms